Over de merkwaardige kunst om jezelf te slim af te zijn.
Socrates beweerde ooit dat hij wist dat hij niets wist. Het was een nederige uitspraak, en daarom is ze zo zeldzaam geworden. Vandaag weet bijna iedereen precies wat er misging, waarom het niet aan hem lag en wie de schuld draagt. Dat we ons daarbij zo weinig onwetend voelen, is misschien wel de grootste vooruitgang van de menselijke rede. Vroeger had de dorpsgek een mening op het plein in het lokale café waar niemand echt naar hem luisterde. Vandaag hebben ze een platform en bereiken ze alle andere dorpsgekken in een oorverdovend klaviergekletter van onzin en tijdsverspilling.
In een verzuurde maatschappij heeft iedereen een mening, maar zelfkritiek is blijkbaar een schaars goed. Iedereen analyseert, concludeert en corrigeert, liefst de ander. Want wie overtuigd is van zijn eigen gelijk, hoeft niet meer na te denken. En wie daar ook nog een uitgebreide analyse van maakt, noemt dat intelligentie. De domste gedachte is misschien niet dat je ongelijk hebt, maar dat je intelligent genoeg bent om het zelf nooit te merken. Daarom schrijf ik in “ik” vorm, zo voelt niemand zich bedreigd, beledigd of aangesproken.
Het begint altijd met een eerste punt: je moet een minimum aan intelligentie bezitten om te weten dat je dom bent. Maar. Ik ben best slim en kritisch vaak veel slimmer dan ik denk dat ik ben. Ik weet dat dit waar is, want ik heb er zelf een uitgebreide analyse van gemaakt, met conclusies die ik overtuigend vind. Pas als ik de analyse herlees, merk ik dat ik er ergens in heb geloofd dat ik nog slimmer ben dan ik al dacht. Het is een bescheiden gedachte, en dus vooral mijn eigen.
Daarom heb ik ook altijd tijd genoeg. Het tweede punt: ik heb altijd meer dan voldoende tijd, maar nooit genoeg. Die paradox lost zich op zodra je beseft dat tijd vooral een gevoel is dat je krijgt wanneer je nog niet begonnen bent. Zolang het schilderij nog niet af is, is er ruimte om het beter te maken. Dat het er na drie maanden nog precies zo uitziet, wijt ik aan een gebrek aan tijd. Dat is het enige probleem dat nooit verdwijnt. Perfection kills performance. Tijd is de alibi van de perfectie: zolang er tijd is, kan het beter; zodra de tijd op is, noemen we het af. En zo wordt perfectie de kunst om eindeloos te beginnen zonder ooit te moeten eindigen.
Het derde punt is dat ik altijd meer aankan dan ik denk. Ik kan 15 projecten tegelijk, twee jobs en een avondcursus, en als er één van de vijf faalt, bewijst dat vooral hoe veel ik eigenlijk hanteer. Ik heb dus geen tekort aan capaciteit. Ik heb alleen een gebrek aan de dingen die ik niet heb gedaan.
En dan het vierde punt, het mooiste van het hele betoog. Bij elke root cause analysis blijkt de oorzaak buiten mij te liggen. Het was de planning van een ander, de omstandigheden, de timing, het systeem. Ik ben de enige persoon die alle oorzaken kan
opsporen, en dus ook de enige die niet vindt dat hij er één van is. Dat is geen toeval. Dat is methode.
Intelligentie werkt daarbij als een uitstekende secretaresse. Ze regelt de documenten, ordent de feiten en zorgt dat alles er verzorgd uitziet.
Het is verleidelijk om hier te concluderen dat ik dus niet deug. Maar die conclusie is ook weer iemands schuld: de lezer die dit te cynisch vindt, de redactie die het te lang vond, of de Socrates die zoveel onwetend leek. Zo draait de slang rond in een cirkel. Elk van de vier punten verklaart het volgende, en elk verklaring is slimmer dan de vorige, dus de slang voelt zich steeds wijzer, en steeds minder verantwoordelijk.
Is er dan een uitweg? Misschien één kleine, ongemakkelijke vraag. Niet ‘waarom was mijn redenering logisch?’, want het antwoord is altijd ja. Maar: ‘Welke van deze vier punten kan ik niet wegredeneren?’ Wie dat eerlijk probeert, merkt dat de slang zijn eigen staart nog steeds vasthoudt, en dat het vooral pijn doet als je loslaat.
Dat lost het probleem niet op. Maar het verklaart waarom we zo vaak eindigen met een slim verhaal in plaats van een eerlijk besluit. En misschien is dat de grootste ironie van ons denken: we zijn zo intelligent dat we alles kunnen rechtvaardigen, behalve onszelf.
Misschien is zelfrechtvaardiging wel de enige analyse waarbij intelligentie niet tot een betere conclusie leidt, maar tot een overtuigender excuus.
Nico Seymus Tweet